hevelen

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Is dit een denominatief van hevel? Of een frequentatief van heven/heffen? Of geen van beide? Ik denk het laatste.

Het oudste wat ik kon vinden was Hexham, die het in verband breng met gisting

Hexham 1648
Hevel, ofte hef-deegh, Leave, or sowre dow.
Hevelen, ofte Deessemen, To Season with leave, or to make Past rise.
Hevel-garen, Shittle yarne which weavers use.
Heven, ofte heffen, To Heave, or to Lift up.

Maar Ten Kate in 1722 maakt er dit van:


haef / haeffe, fermentum; als zig opheffende, en doende oprijzen daer 't bijkomt; waer toe onze spreekwijze van op 't héf loopen, approximare finem; ontleent van 't aftappen der wijnen tot aen den droessem toe, als wanneer men op te houden heeft; en van Hevel, héfsel, ons hevelen, † héfselen, I. CL: fermentare; en ongehevelt, azymus.

Oftewel: hevelen was het aftappen van de wijn tot op het grondsop, d.w.z. de haef. Hoe deed men dat aftappen eigenlijk? Met zoiets als een buis of slang wellicht? Wat we nu een hevel noemen?

Dat is wat Ten Kate er wel van zegt een paar zinnen erboven:

Hevel, m: Siphon; waer mede, na de eerste opzuiging de wijn of andere vogt blijft opwaerts trekken, om alzo in een ander vat over te loopen.

In dat geval is "hevel" (slang, buis) dus een deverbatief van "hevelen" (aftappen tot op het grondsop) dat een weer denominatief van "hevel" (grondsop, gist) was.

--Jcwf