beun1: verschil tussen versies
(Nieuwe pagina aangemaakt met ''''beun 1''' zn. (gewest.) ‘verhoging’ Een verklaring van pgm. ''*bunī'' uit pie. ''*b<sup>h</sup>u(d<sup>h</sup>)niā-'' met een “oeroude uitval van de dentaa...') |
|||
| (Een tussenliggende versie door dezelfde gebruiker niet weergegeven) | |||
| Regel 3: | Regel 3: | ||
Een verklaring van pgm. ''*bunī'' uit pie. ''*b<sup>h</sup>u(d<sup>h</sup>)niā-'' met een “oeroude uitval van de dentaal” lijkt ''ad hoc''. De grondbetekenis van ''beun'' e.d. lijkt bovendien toch echt ‘verhoging’ en niet ‘vloer, bodem’. Kwalijkst is echter dat deze duiding geen rekening houdt met het bestaan en de overduidelijke verwantschap van pgm. ''*būningō'', dat met i-umlaut is overgeleverd als vernederlandst gron. ''buining'' ‘verhoogde, houten vloer; schoeiing’ (zie WNT), gron. ''bunen'' ‘schoeiing; steiger om te lossen en te laden’ en dr. ''buning'' ‘loskade’. | Een verklaring van pgm. ''*bunī'' uit pie. ''*b<sup>h</sup>u(d<sup>h</sup>)niā-'' met een “oeroude uitval van de dentaal” lijkt ''ad hoc''. De grondbetekenis van ''beun'' e.d. lijkt bovendien toch echt ‘verhoging’ en niet ‘vloer, bodem’. Kwalijkst is echter dat deze duiding geen rekening houdt met het bestaan en de overduidelijke verwantschap van pgm. ''*būningō'', dat met i-umlaut is overgeleverd als vernederlandst gron. ''buining'' ‘verhoogde, houten vloer; schoeiing’ (zie WNT), gron. ''bunen'' ‘schoeiing; steiger om te lossen en te laden’ en dr. ''buning'' ‘loskade’. | ||
| − | Aannemelijker is dat pgm. ''*bunī'' en ''*būningō'' –en vast ook Friese eigennamen als ''Bone, Bonne'' en ''Bune''– zijn afgeleid van een bijvoeglijk naamwoord ''*buna- ~ *būna-'' ‘hoog, verrezen, ontstaan’ en dat dit de voortzetting is van pie. ''*b<sup>h</sup>uh<sub>2</sub>-nó-'', voltooid deelwoord bij ''*b<sup>h</sup>u̯eh<sub>2</sub>-'' ‘ontstaan, ontkiemen, opgroeien, verrijzen, zijn’ (LIV<sup>2</sup> 98). Andere woorden van deze wortel binnen het Germaans zijn onder meer ''*bewwa-'' (os. ''beu'' ‘oogst’, on. ''bygg'' ‘gerst’), ''*bewan-'' (nnl. [[b:zijn1|''ik ben'']], oe. ''béon'' ‘zijn’, ne. ''to be'') en ''*bōan- ~ *būan-'' ‘zijn, wonen’ (got. ''bauan'', onl. ''buuuan'', nnl. [[b:bouwen1|''bouwen'']] enz.). | + | Aannemelijker is dat pgm. ''*bunī'' en ''*būningō'' –en vast ook Friese eigennamen als ''Bone, Bonne'' en ''Bune''– zijn afgeleid van een bijvoeglijk naamwoord ''*buna- ~ *būna-'' ‘hoog, verrezen, ontstaan’ en dat dit de voortzetting is van pie. ''*b<sup>h</sup>uh<sub>2</sub>-nó-'', voltooid deelwoord bij ''*b<sup>h</sup>u̯eh<sub>2</sub>-'' ‘ontstaan, ontkiemen, opgroeien, verrijzen, zijn’ (LIV<sup>2</sup> 98). Andere woorden van deze wortel binnen het Germaans zijn onder meer ''*bewwa-'' (os. ''beu'' ‘oogst’, on. ''bygg'' ‘gerst’), ''*bewan-'' (nnl. [[b:zijn1|''ik ben'']], oe. ''béon'' ‘zijn’, ne. ''to be'') en ''*bōan- ~ *būan-'' ‘zijn, wonen’ (got. ''bauan'', onl. ''buuuan'', nnl. [[b:bouwen1|''bouwen'']] enz.). Een vergelijkbare vorming en betekenisontwikkeling zien we bij Latijn ''altus'' ‘hoog’, dat net als nnl. [[b:oud|''oud'']] teruggaat op de wortel pie. ''*h<sub>2</sub>el-'' ‘voeden; groeien’. |
De korte klinker in ''*buna-'' is gekomen door pretonische verkorting volgens de wet van Dybo (vgl. pgm. ''*sunu-'' ‘zoon’ uit pie. ''*suH-nú-''). Het behoud van de lange klinker in de nevenvorm ''*būna-'' is gekomen door het vroege verspringen van de klemtoon naar de wortel (vgl. pgm. ''*gulþa-'' naast ''*gulda-''). | De korte klinker in ''*buna-'' is gekomen door pretonische verkorting volgens de wet van Dybo (vgl. pgm. ''*sunu-'' ‘zoon’ uit pie. ''*suH-nú-''). Het behoud van de lange klinker in de nevenvorm ''*būna-'' is gekomen door het vroege verspringen van de klemtoon naar de wortel (vgl. pgm. ''*gulþa-'' naast ''*gulda-''). | ||
Huidige versie van 20 jun 2015 om 17:17
beun 1 zn. (gewest.) ‘verhoging’
Een verklaring van pgm. *bunī uit pie. *bhu(dh)niā- met een “oeroude uitval van de dentaal” lijkt ad hoc. De grondbetekenis van beun e.d. lijkt bovendien toch echt ‘verhoging’ en niet ‘vloer, bodem’. Kwalijkst is echter dat deze duiding geen rekening houdt met het bestaan en de overduidelijke verwantschap van pgm. *būningō, dat met i-umlaut is overgeleverd als vernederlandst gron. buining ‘verhoogde, houten vloer; schoeiing’ (zie WNT), gron. bunen ‘schoeiing; steiger om te lossen en te laden’ en dr. buning ‘loskade’.
Aannemelijker is dat pgm. *bunī en *būningō –en vast ook Friese eigennamen als Bone, Bonne en Bune– zijn afgeleid van een bijvoeglijk naamwoord *buna- ~ *būna- ‘hoog, verrezen, ontstaan’ en dat dit de voortzetting is van pie. *bhuh2-nó-, voltooid deelwoord bij *bhu̯eh2- ‘ontstaan, ontkiemen, opgroeien, verrijzen, zijn’ (LIV2 98). Andere woorden van deze wortel binnen het Germaans zijn onder meer *bewwa- (os. beu ‘oogst’, on. bygg ‘gerst’), *bewan- (nnl. ik ben, oe. béon ‘zijn’, ne. to be) en *bōan- ~ *būan- ‘zijn, wonen’ (got. bauan, onl. buuuan, nnl. bouwen enz.). Een vergelijkbare vorming en betekenisontwikkeling zien we bij Latijn altus ‘hoog’, dat net als nnl. oud teruggaat op de wortel pie. *h2el- ‘voeden; groeien’.
De korte klinker in *buna- is gekomen door pretonische verkorting volgens de wet van Dybo (vgl. pgm. *sunu- ‘zoon’ uit pie. *suH-nú-). Het behoud van de lange klinker in de nevenvorm *būna- is gekomen door het vroege verspringen van de klemtoon naar de wortel (vgl. pgm. *gulþa- naast *gulda-).
Voor een andere afleiding met het achtervoegsel *-ī- (gen. *-jōz) van een bijvoeglijk naamwoord vergelijke men *fastī- (on. festr ‘touw’) van *fasta- (on. fastr, nnl. vast).
[O.E.C. van Renswoude]