dom2: verschil tussen versies
(Nieuwe pagina aangemaakt met ''''dom''' zn. m. 'naaf' Kiliaan (1599) noemt ''dom'' een “sicambrisch” (≈ Gelders) woord voor ‘duim’. In het Ned. wordt het vooral in modern dialecten gevond...') |
|||
| Regel 2: | Regel 2: | ||
Kiliaan (1599) noemt ''dom'' een “sicambrisch” (≈ Gelders) woord voor ‘duim’. In het Ned. wordt het vooral in modern dialecten gevonden. Op kaart 3.6 ´naaf van het wiel´ van de ''TNZN'' domineert het type ''dom''(''p'') in de centrale dialecten, waaronder het Zuidhollands, het gehele Brabants, het Westlimburgs en het Zuidoostvlaams. Klankvarianten als ''domme'' op Tholen bewijzen een Middelnederlandse voorganger *''domme'' uit Westgermaans *''þumman''-. | Kiliaan (1599) noemt ''dom'' een “sicambrisch” (≈ Gelders) woord voor ‘duim’. In het Ned. wordt het vooral in modern dialecten gevonden. Op kaart 3.6 ´naaf van het wiel´ van de ''TNZN'' domineert het type ''dom''(''p'') in de centrale dialecten, waaronder het Zuidhollands, het gehele Brabants, het Westlimburgs en het Zuidoostvlaams. Klankvarianten als ''domme'' op Tholen bewijzen een Middelnederlandse voorganger *''domme'' uit Westgermaans *''þumman''-. | ||
''Dom'' ‘naaf’ komt voort uit de betekenis ‘duim’, de vinger die als ‘draaipunt’ van de hand fungeert. Zie voor deze metafoor de Mnl. en Vnnl. uitdrukking ''iet(s) draait op minen duim'' ‘ik heb iets te zeggen over, ik heb iets in mijn macht’. Vergelijk ook de technische betekenissen van Nnl. ''duim'' , zoals ‘scharnierpin, haakje, nok’. De korte klinker in ''dom'' is geen inheemse nevenform van ''duim'', maar gaat terug op het bestaan van twee Proto-Germaanse varianten van het woord ‘duim’, *''þūman''- en *''þuman''-. Voor de korte *''u'' zie IJsl., Ozwe. ''þumi'' m. ‘duim’, No. ''tomme'' m. ‘inch’, Oden. ''thumæ'' m. ‘duim, inch’ < *''þuman''-. Het Nederlands bewaart de tweede variant dus in ''dom'' ‘naaf’. De geminaat -mm- in *''þumman''- moet verklaard worden uit systeemdwang, zie Kroonen 2011: 267–96. | ''Dom'' ‘naaf’ komt voort uit de betekenis ‘duim’, de vinger die als ‘draaipunt’ van de hand fungeert. Zie voor deze metafoor de Mnl. en Vnnl. uitdrukking ''iet(s) draait op minen duim'' ‘ik heb iets te zeggen over, ik heb iets in mijn macht’. Vergelijk ook de technische betekenissen van Nnl. ''duim'' , zoals ‘scharnierpin, haakje, nok’. De korte klinker in ''dom'' is geen inheemse nevenform van ''duim'', maar gaat terug op het bestaan van twee Proto-Germaanse varianten van het woord ‘duim’, *''þūman''- en *''þuman''-. Voor de korte *''u'' zie IJsl., Ozwe. ''þumi'' m. ‘duim’, No. ''tomme'' m. ‘inch’, Oden. ''thumæ'' m. ‘duim, inch’ < *''þuman''-. Het Nederlands bewaart de tweede variant dus in ''dom'' ‘naaf’. De geminaat -mm- in *''þumman''- moet verklaard worden uit systeemdwang, zie Kroonen 2011: 267–96. | ||
| − | ''Dom'' ‘naaf’ is bovendien als ''domme'' nog bewaard in het woord ''dommekracht'' ‘winde, hefboom’. | + | ''Dom'' ‘naaf’ is bovendien als ''domme'' nog bewaard in het woord ''dommekracht'' ‘winde, hefboom’.--[[Gebruiker:Mdevaan|Mdevaan]] 30 jul 2014 20:46 (CEST) |
Versie van 30 jul 2014 om 20:46
dom zn. m. 'naaf' Kiliaan (1599) noemt dom een “sicambrisch” (≈ Gelders) woord voor ‘duim’. In het Ned. wordt het vooral in modern dialecten gevonden. Op kaart 3.6 ´naaf van het wiel´ van de TNZN domineert het type dom(p) in de centrale dialecten, waaronder het Zuidhollands, het gehele Brabants, het Westlimburgs en het Zuidoostvlaams. Klankvarianten als domme op Tholen bewijzen een Middelnederlandse voorganger *domme uit Westgermaans *þumman-. Dom ‘naaf’ komt voort uit de betekenis ‘duim’, de vinger die als ‘draaipunt’ van de hand fungeert. Zie voor deze metafoor de Mnl. en Vnnl. uitdrukking iet(s) draait op minen duim ‘ik heb iets te zeggen over, ik heb iets in mijn macht’. Vergelijk ook de technische betekenissen van Nnl. duim , zoals ‘scharnierpin, haakje, nok’. De korte klinker in dom is geen inheemse nevenform van duim, maar gaat terug op het bestaan van twee Proto-Germaanse varianten van het woord ‘duim’, *þūman- en *þuman-. Voor de korte *u zie IJsl., Ozwe. þumi m. ‘duim’, No. tomme m. ‘inch’, Oden. thumæ m. ‘duim, inch’ < *þuman-. Het Nederlands bewaart de tweede variant dus in dom ‘naaf’. De geminaat -mm- in *þumman- moet verklaard worden uit systeemdwang, zie Kroonen 2011: 267–96. Dom ‘naaf’ is bovendien als domme nog bewaard in het woord dommekracht ‘winde, hefboom’.--Mdevaan 30 jul 2014 20:46 (CEST)