deimt
deimt zn. o. 'oude oppervlaktemaat' Een Fries leenwoord in het Noordhollands en het Gronings. Bronwoord was Oudfries deimeth, samenstelling van dei ‘dag’ en meth ‘mad’, vgl. Ned. mad ‘met de zeis afgemaaid stuk grond’. De onbeklemtoonde tweede lettergreep van deimeth ging na of misschien al voor de ontlening verloren. Hollands deymt, gen. deymts, mv. deymte, is geattesteerd vanaf 1345 in de Rekeningen van de Grafelijkheid van Holland. In latere bronnen ook met een meervoud deymden (1514) en als deympt en deynt (17e eeuw). De Nederlandse tegenhanger dammet uit *dag-maad of *dag-mad wordt aangetroffen in de 16e eeuw in Gooi en Sticht, bijv. in 1525 (Memorie van Peter Aelman uit Naarden; hier ev. dammet, mw. dammaten) en in 1593 (Remonstrantie aan de Staten van Utrecht over den staet der kercken ten platten lande). [MdV]