beginnen
beginnen ww. ‘aanvangen’
Aangezien *-ginnan- vanouds enkel met voorvoegsel voorkomt is het aannemelijk dat dit ook voor de voor-Germaanse vorm gold. Aldus kunnen we met Kroonen (2013) overwegen dat het met grammatische wisseling teruggaat op de wortel pie. *ken- ‘beginnen, ontstaan’ (LIV2 351), bekend van onder meer Sanskriet kanī́na- ‘jong’, Grieks kainós ‘nieuw, onverwacht’, Latijn recēns ‘nieuw, fris, jong’ en Oudiers cinim ‘beginnen’.
Het is vervolgens mogelijk dat nnl. beginnen niet pgm. *bi-ginnan- voortzet, maar met een ander voorvoegsel pgm. *ba-ginnan-, ouder *ba-genwan-, en dat dit uiteindelijk is ontwikkeld uit pie. *h2po-kén-u-e-, een u-presens naast Oudkerkslavisch počęti ‘beginnen’ uit pie. *h2po-kén-e-.
Dit *h2po-, dat in (voor-)Germaanse streken al vroeg versteende en zodoende ook grammatische wisseling kon ondergaan, schuilt vermoedelijk ook in onder meer pgm. *fanhan- ‘vangen’ uit pie. *h2pó-h1n̥ḱ-e- bij *h1neḱ- ‘nemen’ (Scheungraber, 2012). Het is eigenlijk een verbogen vorm van een oud voorzetsel/bijwoord dat ook ten grondslag ligt aan enerzijds pgm. *aba ‘af’ uit pie. *h2epó en anderzijds pgm. *fanē ‘van’ uit pie. *h2pó-neh1.
[O.E.C. van Renswoude]
Verwijzingen: Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013), Scheungraber, C., “Univerbation of prefixed verbs in the prehistory of Germanic: Goth. fraisan ‘to tempt’ and Gmc. *fāha-/fanga- ‘to catch’, paper voorgedragen op de 14. Fachtagung der Indogermanische Gesellschaft (Kopenhagen, 2012).