uitleven
zich uitleven 'vertier hebben' 1841 (Arnhemsche courant 28-02-1841 [1] "de koning van Holland ... die zijne rustdagen hier schijnt te willen uitleven"). Afgeleid van Duits sich ausleben. Veel ouder is afgeleefd 'aan het einde van zijn nuttig bestaan gekomen', zie Vondel 1640 [2]: "zoo laet u ’s Konings vrouw, een uitgeleefde weeuw, het hair om ’t hoofd beweegen".