kleinkunst
Aanvankelijk werd de term kleinkunst gebruikt voor 'kunstnijverheid' (1879 [1]), 'industrieel ontwerp op kleine schaal' (1893 [2]). Als zodanig vermoedelijk afgeleid van Duits Kleinkunst. Later ook in de schilderkunst als 'kunst van kunstenaars van minder grote naam' (1898 [3]). Vanuit deze betekenis ('kunst, gemaakt door kleine, weinig pretentieuze kunstenaars; amateurkunst') maakte het de overstap naar de uitvoerende kunsten, aanvankelijk nog als figuurlijk gevoeld (in toneel 1898, [4], in literatuur ('dicht bij de spreektaal liggende literatuur') [5], in koorzang 1905 [6]). In 1905 [7] en 1908 [8] zien we een duidelijk niet figuurlijk gebruik, zij het in dat geval nog steeds handelende over muziek respectievelijk koorzang, en dus niet theater of cabaret. Gezien deze achtergrond lijkt een parallelle betekenisontwikkeling me meer waarschijnlijk dan een herhaalde ontlening.
-- AE