maf

Uit Etymologiewiki
Versie door Aeb (overleg | bijdragen) op 20 apr 2013 om 14:06 (vroege voorkomens)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

maf bn. 'mal, gek'

Vnnl. maf 'slap, moe' in moe en maf door slaegen [1657; Jacob Westerbaen], ende daer uyt komt het, dat wijse luyden, met eene oock bloodeende maf zijn, kleyne eters, en onsterck om te teelen [1660; Johan van Beverwijck];

nnl. maf 'moe, loom' in maf: vermast, vadzig en 't Kindt is maf van al 't eeten [1710; Halma], maf: moede, loof, afgesloofd en men wordt maf, paf van 't bier drinken: gonflé et lâche [1730; Marin] maf: moede en maf van drinken: cloy'd [1735; Sewel];

'gek' in wel wat ben jeluy maffe baazen [1708, Jakobus Rosseau]; voor 't mafje loopen 'voor de gek gehouden worden' [1717; Marin NF].