oen

Uit Etymologiewiki
Ga naar: navigatie, zoeken

oen zn. ‘sufferd’

Vnnl. o je bent sulcken oene [1631], wel oene binje mal [1632], welk een oene [1669]

Dit aanvankelijk vooral Hollandse scheldwoord is moeilijk los te zien van de Friese eigennaam Oene, die anders een goede duiding moet ontberen. Hoewel laat overgeleverd zijn beide terug te voeren op pgm. *ōnan- ‘bezielde’, een zwak verbogen vorm van *ōni- ‘bezield’ –eigenlijk ‘in staat tot ademen’– een vṛddhi-gerundivum bij het klasse 6 sterke werkwoord *anan- ‘ademen, bezield zijn’ (got. uz-anan ‘uitademen, sterven’). Een zelfde soort afleiding is *fōri- ‘begaanbaar; in staat te gaan’ (on. fœrr) bij *faran- ‘gaan’ (on. fara, nnl. varen), waarvoor zie Kroonen (2013). Vergelijk voor de betekenisontwikkeling van nnl. oen ‘sufferd’ uit ‘bezield, in staat tot ademen’ hoe dwaas ‘gek’ langs pgm. *dwēsa- samen met *deuza- ‘dier’ is terug te voeren op pie. *dhu̯es- ‘ademen’ (LIV2 160).

Het bestaan van *ōni- ‘bezield’ wordt bevestigd –indien we een tussenbetekenis ‘zielig’ mogen aannemen– door gron. uin ‘kleinzerig’ [Oldambt]. Vergelijk voor de vormontwikkeling die van pgm. *grōni- ‘groen’ tot gron. gruin.

[O.E.C. van Renswoude]


Verwijzing: Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)