mik2

Uit Etymologiewiki
Versie door Olivier van Renswoude (overleg | bijdragen) op 15 okt 2015 om 18:45 (Nieuwe pagina aangemaakt met ''''mik''' zn. ‘gevorkte stutpaal of tak, vertakking, kruis van het lijf’ Mnl. ''micke, mic'' ‘gevorkte stutpaal of -stok’ in ''van micken ende van speten'' [D...')
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

mik zn. ‘gevorkte stutpaal of tak, vertakking, kruis van het lijf’

Mnl. micke, mic ‘gevorkte stutpaal of -stok’ in van micken ende van speten [Dord. 1285], hi (de kater) ghinc sitten up de micke (van de galg) [Rein. 1380-1425], vnnl. mick ‘gaffelvormig voorwerp; soort van galg’ in met dees ghedoornde mick, myn herderlijcke stut [Vondel 1612], ick sal hem ‘s anderdaeghs doen hangen aen een’ Mick [Huygens 1649], nnl. mik ‘gevorkte stutpaal; vertakking van een boomstam; kruis van het lijf’ in het geheel wordt gesloten door een boom of balk, welke aan de eene zijde in touwen hangt, en aan de andere zijde op een houten mik ligt [1811], hij klom op den boom en hij zat in de mik [Loquela 1894], hij stond tot aan zijne’ mik in ‘t water.

Mnd. micke ‘gevorkte stutpaal e.d.’ < pgm. *mikkō(n)-, met een grondbetekenis die eerder ‘vertakking’ of ‘samenvoeging’ dan ‘stut’ lijkt te zijn geweest.

Mogelijk is het woord ontstaan uit een ouder paradigma als nom. *mīhō, gen. *mikkaz. Vergelijk daarvoor de ontwikkeling van nnl. rij en nhd. Recke uit pgm. nom. *rīhō, gen. *rikkaz (Kroonen, 2013).

Het zou vervolgens terug kunnen gaan op pie. nom. *méiḱ-ōn, gen. *miḱ-n-ós, bij de wortel *meiḱ-, *moiḱ-, *miḱ- ‘mengen, samenvoegen’. Hierbij hoort langs *miḱ-ske- o.a. ook pgm. *miskan- ‘mengen’ (nhd. mischen, ne. mix, ontleend als nnl. mixen).

[O.E.C. van Renswoude]


Verwijzing: Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)