kif1
kif zn. ‘afgewerkte run’
Vnnl. kif ‘afgewerkte, uitgelooide run’ in droge turfmollem, of kif uit de kuipen der schoenmakers [Cause, 1676], nnl. kif ‘id.’ in looijers, die ze (...) instrooijen met versch bewaarde kif (uitgelooide run) [1789], de bodem van den (run)kuil wordt (...) bedekt met eene laag kif, waarop eene laag versche run [1881], met kif bestrooit men de legerplaats van paarden [1923]
Naar o.a. het WNT een noordoostelijk (d.w.z. Nederduits) woord, onzijdig in Groningen en Twente, vrouwelijk in Deventer. Ook gevonden in Oostfriesland en Bremen. Een werkwoordelijke afleiding is bovendien keven ‘huiden met kif bewerken’.
Indien een erfwoord, mogelijk van pgm. *kebiz-. Oorspronkelijk dan meer algemeen ‘schors, run’ en teruggaande op de wortel pie. *ǵebh- ‘afscheuren, bijten’ (LIV2 161). Hiervan ook nnl. kavel en wellicht nnl. kever en nnl. kesp. Verwanten buiten het Germaans zijn dan o.a. Oudlitouws žė̃bti, žė́bėti ‘traag eten, kauwen’ en Oudkerkslavisch i-zobljǫ, -zobati ‘verteren, eten’. Hiernaast met neusklank wel *ǵembh- ‘bijten’ (LIV2 162), waarvoor zie nnl. kam.
Een andere mogelijkheid is verwantschap met pgm. *kaf- (ohd. kaf, nnl. kaf) en/of pgm. *kef- (ohd. keva ‘huls’), die echter van onbekende herkomst zijn.
[O.E.C. van Renswoude]