zuien
zuien ww. ‘zacht zingend en wiegend sussen’
Vnnl. suijen, suyen in de wint soeckt de maen in slaep te suijen [1604, Hooft], nnl. zeuyen, zuijen, zuien in zeuyen is jonge kinderen, door heen en weêr bewegen, tot stilte of slaap brengen [1731] – daarnaast gewestelijk onder meer Gronings zuien, zòien, zaaien ‘schommelen; schommelend heen en weer bewegen’ en Vlaams zuien, zuwen ‘aanhitsen, ophitsen, van honden’
Het gaat hier niet om een klanknabootsend of -schilderend woord, zoals voorheen wel is aangenomen, maar om de voortzetting van pgm. *sujan- en uiteindelijk pie. *suh1-ié-. Dit is een oude nultrapspresens bij de wortel *seuh1- ‘aandrijven, in beweging brengen/houden’ (LIV2 538), anderszins bekend van onder meer Hettitisch suwezzi, suwanzi ‘stoten, verbannen’, Sanskriet suváti ‘drijft aan, zet in beweging’ en Oudiers im-soí ‘draait zich om’.
[O.E.C. van Renswoude]