klappen
klappen ww. ‘een ploffend geluid geven’; (BN) ‘babbelen, kletsen’
Eerder dan klanknabootsend is *klap(p)ōn- oorspronkelijk een iteratief/intensief werkwoord met ongelijk paradigma: 3ev. *klappōþi, 3mv. *klabunanþi. Zie Kroonen (2011, 2013) voor vele van dergelijke werkwoorden.
Secundaire nevenvormen zijn mnl. cloppen ‘kloppen, slaan’ (nnl. kloppen), mnd. kloppen ‘id.’, ohd. chlopfōn, chlofōn ‘id.’ (nhd. klopfen) < pgm. *klup(p)ōn-, alsmede oe. clyppan ‘omarmen, vastgrijpen’ (ne. clip) < pgm. *kluppjan- en on. klýpa ‘knijpen, klemmen’ < pgm. *klūpjan-.
Te verbinden zijn verder mnd. klave ‘bundel’ (Drents klaaf, klave, klaeve, Gronings klaove ‘houten halsjuk voor schapen’), on. klafi ‘halsjuk voor vee’ (nno., nzw., nde. klave ‘id.’) < pgm. *klaban-, alsmede mnd. klafter, klachter ‘vadem’, ohd. klāfter ‘vadem, armspanne’ (nhd. Klafter ‘id.’) < pgm. *klēftra-, *klēftrō-, en ook me. claspe ‘metalen gesp of haak om dingen bij elkaar te houden’ (ne. clasp) < pgm. *klapsō-. Ten slotte vinden we nog nnl. kolf e.d. < pgm. *kulba(n)- ‘rond voorwerp’.
De grondbetekenis van deze wortel is ‘omspannen, samenhouden, samenballen’ en bij uitbreiding ‘samenslaan, slaan’. Verwanten buiten het Germaans zijn onder meer Litouws glė́bti (glė́biu) ‘omarmen, vastgrijpen’, Lets glêbt ‘bewaken, beschermen’ en Latijn glēba ‘aardkluit’ en globus ‘rond voorwerp’. De onderliggende wortel is vormelijk gezien lastig vast te stellen, maar wordt door Kroonen (2013) als pie. *gleh1bh- gegeven.
[O.E.C. van Renswoude]