kolder3

Uit Etymologiewiki
Versie door Olivier van Renswoude (overleg | bijdragen) op 22 okt 2018 om 16:58
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

kolder zn. ‘vloerbalkje; dakspar’

Nnl. kolder, kolter ‘soort van juffer, spar; grondhout’, in onder het steygerhout … zullen zyn (begreepen) groote en kleyne masten, groote en kleyne juffers, lange en korte kolters, schoorhouten enz. [1752], kolters (...) zijn zwaarder dan sparren en juffers, doch anders van dezelfde soort [1825], het (...) doorboren van de veenlaag, met eene lat, sliet of kolder, tot in de klei [1851] – te Groningen ook kolders (mv.) ‘kleine balkjes waar vloeren op gelegd worden; juffers voor de verlenging van boerenwagens’ en in West-Vlaanderen nog kulter, kulder ‘lang stuk hout, voor zolderbalken; dwarshout dat planken van stellages draagt’

Gezien diens vorm met -old- i.p.v. -oud- en de houthandel op de Oostzee vermoedelijk ontleend aan het Nederduits. Hoewel laat overgeleverd, en indien daar inheems, is te overwegen dat het teruggaat op een pgm. *kuldra- ‘ligger’. Verwant zijn dan Noors kull, kuld, Deens kuld ‘leg, nest, worp’ < pgm. *kulda-. Buiten het Germaans zijn te verbinden Litouws guliù ‘gaan liggen’, gùltas ‘bed, leger’, gvalà ‘liggend’ en Armeens kaɫaɫ ‘hol, leger’. Allen van de wortel pie. *gu̯el- ‘gaan liggen’ (LIV2 192).

Kroonen (2013) reconstrueert daarentegen *gwelH- en verbindt binnen het Germaans nog *keldiz- (oe. cild ‘kind’, ne. child) en *kelþīn- (got. kilþei ‘baarmoeder’). Het verlies van labialisatie zou dan wel onregelmatig zijn. Maar wellicht is de labialisatie juist een Baltische analogische innovatie.

[O.E.C. van Renswoude]


Verwijzing: Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)