kampioenschap
kampioenschap
1. 'het kampioen zijn'
- Louwerse 1892 [1]: "Voor vier eeuwen verwon Columbus 't kampioenschap der wereld."
- Dentz 1897 [2]: "[een schermwedstrijd] om £ 50 en 't kampioenschap voor Zuid-Afrika"
2. 'wedstrijd of serie wedstrijden waarin een kampioen bepaald wordt'
- 1899 [3]: "Belg. kampioenschap per groepen"
- Samson 1910 [4]: "een jaarlijksch kampioenschap athletiek voor voetballers"
Naar ik aanneem afgeleid van Engels championship, bekend sinds 1825 in betekenis 1, 1893 in betekenis 2 [5].