kleinigheid
Kleinigheid(je) 'iets van gering belang'
- kleinigheit 'kleinheid' Huygens 1652? [1] "Noch werdt mijn kleinigheit geboet met ander voordeel"
- kleinigheid 'iets van gering belang' 1660 [2]: "Denkt het u dan een kleinigheit, dat ik ongelukkig moet wesen"
Opvallend is, dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van een woord kleinig waar dit morfologisch gezien van afgeleid lijkt te zijn.
-- AE