aasgier
aasgier 'roofvogel die dode dieren eet (Neophron percnopterus)'. De oudste datering in de letterlijke betekenis is uit 1804: "Wanneer Jezus derhalve zegt: waar een aas is, vergaderen zich de Arenden, bedoelt hy daarmede eigenlyk zekere aard- of aasgieren, die, in Palestina, in meenigte zyn." in Bijdragen betrekkelijk den staat en de verbetering van het schoolwezen in het Bataafsch Gemeenbest, Vierde deel, blz. 19.
In de genoemde woordenboeken hieronder wordt alleen ingegaan op de figuurlijke betekenis.