kamerheer
kamerheer 'hoge dienaar' (via een Frans dialect?) uit Latijn camerarius 'kamerling'. Aanvankelijk verantwoordelijk voor de (slaap)kamer van de heer, later voor de gehele hofhouding, nog later werd het meest een eretitel. (informatie afkomstig van Wikipedia)
Oudste gevonden attestatie: 1710 Rotgans[1]: "Hier zweeg de Kamerheer en sloot zyn oorlogsrede"