Gebruiker:WdeWinter/Schaafstro
over de naam Schaafstro
eerder verschenen in VarenVaria 25[3] (2012) als "In Nomine Equiseti"
What's in a name? that which we call a rose
By any other name would smell as sweet;
-- Shakespeare --
Als het goed is wordt elke wetenschappelijke naam geschreven tezamen met de auteur en het jaar van publicatie. Een soort van “wetboek” geeft daar strikte regels voor. Voor de Nederlandse namen van planten en dieren zijn zulke regels niet vastgelegd en kun je niet zomaar terugvinden waar en wanneer die naam geïntroduceerd is. Hoe komen de Nederlandse namen eigenlijk tot stand? Hoe zijn we bijvoorbeeld gekomen aan de naam “Schaafstro” voor Equisetum hyemale L. Sp. Pl. 2: 1062. 1753
Dat we nu allemaal zonder uitzondering de naam Schaafstro gebruiken komt doordat deze naam ruim honderd jaar geleden gekozen is door de Commissie voor Nederlandsche Plantennamen in het Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van Planten[1]. Hierin staat het eerste overzicht van de toen bekende plantennamen, bijelkaargezocht uit onder meer de negentiende-eeuwse flora’s, het Middelnederlandsch Woordenboek, oude kruidboeken en overzichten van regionale volksnamen van planten [2]. Hendrik Heukels, de samensteller van dit Woordenboek, is dezelfde als de grondlegger van de Flora van Nederland en daarmee is Schaafstro de de facto standaard-naam geworden.
Andere namen die Heukels aantrof waren: Kannewasscher, Lidrusch, Scha[a]fstroo, Ruwe paardestaart, Schrijnwerkersbiezen, Schaafgras en Schuurbies. De eerste twee namen van het lijstje laten meteen zien waar je tegen aanloopt als je je met de geschiedenis van plantennamen gaat bezighouden: verschillende namen voor dezelfde soort en dezelfde namen voor verschillende soorten. In een voornamelijk analfabete gemeenschap wijzen de mensen elkaar de planten aan en geven aan elkaar de bijbehorende naam door. Maar hoeveel mensen kunnen soorten paardestaarten goed van elkaar onderscheiden?
Zelfs wetenschappelijk opgeleide botanici en medici hebben er eeuwen over gedaan om tot onze huidige acht soorten te komen. Ze onderscheidden paardestaarten met zijtakken (heermoes, lidrus, reuzenpaardestaart) van die zonder zijtakken, maar binnen beide groepen was het onderscheid minder duidelijk. De vertakte en onvertakte vormen van de holpijp juist wel als twee verschillende soorten gezien, waarbij de onvertakte vorm samenviel met het schaafstro. De soortbeschrijvingen waren zo beperkt dat je de soorten in je eigen omgeving moest zien om te onderkennen dat ze verschillend zijn. In het bijzonder de studeerkamerbiologen gingen daar de mist in.
In dit opzicht was het gewone volk veel slimmer. Namen als Kannewasser en Kannekruid hebben dan ook betrekking op de zachte paardestaarten van het subgenus Equisetum en namen die refereren aan schuren en schaven op het schaafstro. Mensen die bij hun dagelijkse bezigheden van zulk “gereedschap” afhankelijk waren wisten dondersgoed dat je met holpijp geen eikenhout kunt schuren maar dat je daar schaafstro voor nodig had – onder welke naam dan ook. Geen rechtgeaarde huisvrouw zou met krassend schaafstro haar kannen en pannen gaan schuren. Het veel zachtere en maar ietsjes ruwe heermoes is daarvoor veel geschikter.
Schaafstro was het schuurmiddel voor houtbewerkers. Schuurpapier is eind achttiende eeuw uitgevonden, maar bereikte pas midden negentiende eeuw een kwaliteit die kon wedijveren met schaafstro. In Engeland heeft het toen snel de rol van schaafstro overgenomen, maar in bijvoorbeeld de Verenigde staten werd nog in 1938 met schaafstro geadverteerd[3]. Er zijn trouwens nog steeds specialistische ambachten die aan schaafstro de voorkeur geven.
Dit gebruik verklaart de naam Schrijnwerkersbiezen die de namencommissie heeft gevonden in de flora van Oudemans[4]. In de 25 jaar eerder verschenen Flora Batava vind je deze naam niet terug, maar wel Schuurbies, Schaafstroo, Groote Paardestaart en Ruwe Paardestaart[5]. Als ‘officiële’ naam kiest deze flora Winter Paardestaart, een vertaling van de Latijnse naam, die evenwel ook via het Duits of het Frans kan zijn overgenomen.
In de achttiende eeuw beginnen we echt een beetje bij de roots van de namen te komen. In zijn onvolprezen essay over paardestaarten schrijft Cornelius Nozeman[6]:
Men geeft hierom aen deese soorte van Paerdestaert de namen van scbuurbieze en Schaefstroo, en meermalen dien van Spaensche bieze, omdat zy, als stuk van Koophandel ten gebruike der zoo evengemelde werklieden, uit Spanje herwaerts wordt gevoerd.
Schuurbies en Schaafstro dus, en daarbij Spaanse bies. Nozeman was een scherp waarnemer en niet iemand die zijn gezag ontleende aan het getrouw overschrijven van eerdere bronnen. Ik denk dat we mogen aannemen dat deze drie namen werkelijk in gebruik waren in die tijd. Twee andere bronnen bevestigen dit voor Schaafstro, te weten Maarten Houttuyn[7] en David de Gorter[8-9]. Beide noemen naast Schaafstro ook de naam Grote Paardestaart. Houttuyn merkt op dat sommigen dit voor een soort van holpijp houden en De Gorter vermeldt dat Gote Paardestaart de Nederlandse naam is, maar dat het gemene volk het ook wel Schaafstro noemt. /p>
Gaan we nog een eeuw terug, dan vinden we de oorsprong van de naam Grote Paardestaart. In de renaissance leunde de wetenschap zwaar op de literatuur uit de oudheid. Sinds de eerste beschrijvingen uit de Romeinse tijd [10] bestond het vermoeden dat er misschien wel twee soorten paardestaarten zouden bestaan. Nog 1500 jaar later sprak men daarom simpelweg van de Grote paardestaart en de Kleine paardestaart. Later werden deze min of meer opgesplitst, waarbij de delen als verschillende verschijningsvormen van die twee werden gepresenteerd. Zo kon men recht doen aan de waargenomen verscheidenheid, zonder tegen de authoriteit van de klassieke auteurs in te gaan.
Onder de Grote paardestaart schaarde men schaafstro en holpijp; onde de Kleine paardestaart heermoes en lidrus. Vaak is het een puzzel welke (moderne) soorten ermee worden bedoeld. Blancaert. [11] laat er echter weinig misverstand over bestaan dat hij wel degelijk het schaafstro voor ogen heeft als hij over de Grote paardestaart schrijft. Wel zit hij nog met de zijtakken in z’n maag die eerdere auteurs steeds aan de grote paardestaart toeschreven:
DE groote word wel twee voeten somtyds hoog, met een ronde, holle, halmsgewyse stammetjen, zynde gestreekt met vooren , somtyds wat roodagtig, rouw, met veele knoopen, als leden in malkanderen s1uitende, waar omtrent sy verscheide swarte omkringen hebben: rontom dese knoopen zyn biefagtige dunne blaadjes, ofte liever gekniede en gekertelde, rouwe, harde kransjes: hoewel die wel sonder de selve, als enkele halmen gevonden werd.
De groote zynde mede Asprella, oft Rouw kruid genaamt. Sy wasschen beide geern op vogtige zand-gronden aan de duin-beekjes, & in vogtige wei-landen
Asprella is een Frans/Latijnse naam (letterlijk “ruw-tje”). Het is een naam die destijds in de internationale literatuur vaker gebezigd werd en die de stam is van de hedendaagse Franse naam voor paardestaarten: Prêle. De naam Rouwkruid komt uit de zeventiende-eeuwse heruitgave van Dodoens kruidboek[12]. Dodonaeus geeft het daar als vertaling van Asprella en bedoelde het vermoedelijk niet eens echt als Nederlandse naam:
De groote soorte wort van ons eyghentlijck Peerdt-steert ghenoemt, ende van sommighe in ’t Latijn Asprella, al ofmen Rouw-cruydt seyde
Betekent dit dat in de zeventiende eeuw de naam Schaafstro nog niet in zwang was? Niet noodzakelijk. Auteurs schreven liever elkaar over dan dat ze zelf origineel werk produceerden. Zelfs als ze wel iets nieuws op papier zetten, dan werd dat nog dik ingebed in wat de ouden daarover hadden geschreven (net als vandaag in de wetenschap, eigenlijk). Het is de vraag of ze de benamingen van de planten buiten het wetenschappelijke circuit kenden, danwel of ze daar genoeg belang aan hechtten om ze te vermelden. Dat we er toch nog wat over te horen krijgen is vooral te danken aan de traditie om de namen van de planten in verschillende talen te vermelden. En dan is het ook leuk om je eigen volkstaal daaraan toe te voegen. Soms zijn het ter plekke verzonnen namen (zoals Rouwkruid), soms de werkelijk gangbare namen. Echter, die kunnen per landstreek nogal verschillen.
Ik vond één aanwijzing dat Schaafstro in de zestiende eeuw al wel werd gebruikt. In een viertalig woordenboek [13] staat de naam Schafhoy. Ik lees dit als “schaafhooi”, maar het is niet ondenkbaar dat het een ongelukkige weergave is van het Hoogduitse Schaffthew, een naam waarmee de nederlandstalige bewerkers nogal eens moeite hadden (zie verder). Maar de naam was niet bij iedereen bekend: Constantijn Huygens jr. schrijft in 1683 aan zijn broer Christiaan: on pourroit les oster avec ces Biezen dont on polit [14]. Niet alleen kent hij de Franse term niet, ook in het Nederlands moet hij zich behelpen met een omschrijving. Bosscha jr. gebruikt overigens in een voetnoot de naam Schuurbiezen om het de lezer te verduidelijken.
In de twee oudere Nederlandse kruidboeken vinden we alleen nog Asprella en Grote paardestaart:
Groote Peerststeert in dierste uutcomen bringht ronde hole, naeckte rouwe stelen met veel leden en knoopen voort, die zoo rouwe sijn dat die drayselaers ende mesmaeckers, alderleye ghedrayet werck ende die hechten van den messen daer mede polijsten ende effen maken. [15]<
Peertsteert is tweederley, deen groot ende lanck, dander cleyn. Dat groot is (…) row, waer door dattet sommige Asprella heeten. Ende de draeyers besigen dit om allerley hout ende gedraeyt werck daermede te polijsten ende effen te maken, ende sij heetent gemeynlick Schafthoy. [16]<
Toch nog een Schaafhooi? Nee. Dit stukje is letterlijk uit het Hoogduits vertaald en daarin staat de in Duitse teksten veel voorkomende naam Schaffthew. Of misschien toch. De taal was in de zestiende eeuw nog niet zo gestandaardiseerd als nu. Wij spraken hier, volgens onszelf, Duits. In het Duits werden twee hoofdvarianten onderscheiden, elk weer verdeeld in tal van dialekten. Beide Duitse talen en al die dialekten hadden hun eigen variaties op de combinaties van Schafft-/Schaf -/Schachtel- met Heu-/Hew-/Halm-/Stroh-/Risch [17]. Deze vormen gaan die terug op scafthawi uit het Oudhoogduits, dat van ca. 750 tot 1050 gesproken werd [18]. De betekenis van het tweede deel is duidelijk: hooi (halm, stro, rus). Die van het eerste deel ligt moeilijker. Eén mogelijkheid is dat het verwant is met het (modern-)Duitse Schaft – gladde, rechtopgaande stengel, vergelijk de schacht van een pijl. Vanwege het gebruik van de plant als schuur-/schaafmiddel werd bij de introductie in het Nederlandse taalgebied de overstap naar schaaf-, snel gemaakt. Zulke volksetymologie, waarbij onbekende woordvormen worden geïnterpreteerd en omgevormd naar bekende woorden, is ook mooi te zien aan een andere betekenis van het Duitse Schafstroh, namelijk “stro dat voor de schapen (=Schafe) dient”…
De andere mogelijkheid is dat er inderdaad een relatie bestaat met het Nederlandse schaaf en het Engelse shave [19]. De Engelse naam schauegres [20] vinden we al in de 14e eeuw en dat wijst toch wel in de richting van een gemeenschappelijke oorsprong. In dat geval zijn het de Duitsers die het verband met schaven kwijtgeraakt zijn en de naam allengs zijn gaan associëren met Schacht-verwante termen.
Hoe de vroege betekenis ook geweest moge zijn, het is in elk geval duidelijk dat de Commissie voor Nederlandsche Plantennamen met de keuze voor Schaafstro een fraaie, middeleeuwse naam met een rijke historie voor de vergetelheid heeft weten te behoeden.
1. H. Heukels. 1907. Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten: uit de gegevens verzameld door de Commissie voor Nederlandsche plantennamen. Versluys, 's-Gravenhage.
2. Anoniem. 1908. Plantennamen. De Nieuwe Taalgids 2: 240-244.
3. Kaliban's Grocery and Market. 1938. Advertisement of Kaliban's Grocery and Market, The mount Vernon Hawkeye-Record and the Lisbon Herald, 8, Mount Vernon, Iowa, USA.
4. C. A. J. A. Oudemans. 1874. De Flora van Nederland: 3. G.L. Funk, Amsterdam.
5. J. Kops and J. E. Van der Trappen. 1846. Flora Batava of Afbeelding en Beschrijving van Nederlandsche Gewassen: IX. J.C. Sepp en Zoon, Amsterdam.
6. C. Nozeman. 1783. Verhandeling over heermoes, unjer of kattestaart (Equisetum). Verhandelingen uitgegeeven door de Maatschappy ter Bevordering van de Landbouw 2: 1-66.
7. M. Houttuyn. 1783. Natuurlyke Historie of uitvoerige beschryving der dieren, planten en mineraalen, volgens het samenstel van Linnaeus, 14e stuk. De varens, mossen, enz., 704. Erven F. Houttuyn, Amsterdam.
8. D. de Gorter. 1781. Flora VII provinciarum Belgii foederati indigena. Bohn & Filius, Haarlem.
9. D. de Gorter. 1781. Flora Zutphanica: II part 1. J.H. Louw, Zutphen.
10. P. Dioscorides. ca. 70. De materia Medica, Anazarbus, Asia Minor.
11. S. Blanckaert. 1698. Den Neder-landschen Herbarius ofte Kruid-boek der Voornaamste Kruiden, tot de Medicyne, Spys-bereidingen en Konst-werken dienstig. Jan ten Hoorn, Amsterdam.
12. R. Dodoens. 1644. Cruydt-Boeck; Remberti Dodonaei, volghens sijne laetste verbeteringhe. Balthasar Moretus, Antwerpen.
13. A. Birckmann. 1562. Dictionarium tetraglotton seu voces latinae omnes, et Graecae eis respondentes, cum Gallica & Teutonica. ex officina Christophori Plantini, sumptib. haeredum Arnoldi Bierckmanni, Antverpiae.
14. J. Bosscha jr. 1899. Christiaan Huygens, Oeuvres complètes. Tome VII: Correspondence 1676-1684. Martinus Nijhoff, Den Haag.
15. R. Dodoens. 1554. Cruijdeboeck. Jan van der Loe, Antwerpen.
16. L. Fuchs. 1543. Den nieuwen Herbarius, dat is dat boeck van den cruyden. Michel Insingrin, Basel,.
17. J. Grimm and W. Grimm. 1893. Deutsches Wörterbuch. 16 Bde. in 32 Teilbänden. Leipzig 1854-1961: 14. S. Hirzel, Leipzig.
18. E. G. Graff. 1838. Althochdeutscher Sprachschatz: oder Wörterbuch der althodeutschen Sprach: 4. Beim Verfasser und in Commission der Nikolaischen Buchhandlung, Berlin.
19. J. C. Adelung. 1808. Grammatisch-kritisches Wörterbuch der Hochdeutschen Mundart mit beständiger Vergleichung der übrigen Mundarten, besonders aber der Oberdeutschen: 3: M-Scr. P.H. Bauer, Wien.
20. Anoniem. 1350-1400. MS. Arch. Selden. B. 35, Bodleian, Oxford.